Tagarchief: Indië-Herdenking

Indië-Herdenking 2019 Tekst en fotoverslag

Dit jaar werd alweer de zesde Indië-Herdenking gehouden in de Synagoge. Spreekster mw Josje Nieuwenhuys was zo vriendelijk haar tekst beschikbaar te stellen zodat iedereen die wil haar verhaal nog eens rustig na kan lezen. Het is belangrijk dat deze verhalen er zijn en doorgegeven worden:

Op de wind van gisteren kan niet gezeild worden

’s Morgens als ik vroeger in Indië wakker werd, luisterde ik naar het geluid van de sapoe lidi, een bezem waarmee blaadjes opgeveegd werden. Een rustgevend geluid.

We woonden op een plantage op Sumatra. Na Pearl Harbor moest mijn vader in dienst bij het KNIL. Op 8 februari 1942 werd mijn jongste broertje geboren. Mijn vader week even af van de patrouille om baby Eddy te zien. Ik speelde met mijn vaders putties, kakikleurige windsels tegen bloedzuigers, die ik om zijn benen wond. Ik luisterde naar het gesprek tussen mijn ouders. Dan haalde ik de putties weer van zijn benen af, rolde ze op en begon opnieuw mijn vader te verbinden. Mijn ouders keken en klonken bezorgd. Mijn vader drong erop aan, dat moeder zo snel mogelijk met de 4 kleine kinderen met de auto zou vertrekken naar een schoolgebouw in Brastagi.

De oudste, Frans, was 5 jaar oud en hij werd direct na aankomst naar de jongenszaal gebracht. Moeder met baby, en 2 kleine meisjes (mijn zusje van 2 jaar oud en ikzelf 4 jaar) kwamen terecht in een apart huis, het Babynest genoemd. Daar zaten zo’n 30 jonge moeders met in totaal 60 à 70 kleine kinderen. Moeder moest op het land werken en ik mocht meehelpen de andere kleine kinderen te verzorgen.

Op een ochtend moesten alle vrouwen en kinderen in het Babynest buiten staan. De Japanners deden huiszoeking: geld, juwelen, camera’s. Matrassen en kussens werden opengesneden. Mijn moeder kreeg bij de geboorte van elk kind van mijn vader een juweeltje in lapis lazuli, het blauw van haar ogen. Een ring, een hangertje aan een gouden ketting en nog 2 juwelen, maar die weet ik niet meer. Kleine Eddy liep in een soort pofbroekje met op zijn borst een klein zakje. Mijn moeder kleedde hem uit en hing het pofbroekje aan de waslijn. Niemand had gezien dat ze haar ring en kettinkje met hangertje in zijn pofbroekje had verstopt.

Frans kroop ’s nachts vaak door de afrastering om eten te zoeken. Hij liep kilometers door het pikkedonker tot hij bij een dessa kwam, waar hij schijven bataksuiker, die daar te drogen lagen, meenam. Ook pisangs (bananen) en ander fruit nam hij mee. Hij was toen 7 jaar. Een mevrouw die ook door het hek probeerde te kruipen, werd opgemerkt door Japanse soldaten. Zij schreeuwde: “er is een jongetje door het gedek   gekropen, maar ik wilde hem tegenhouden!”

De bewakers wachtten Frans op en brachten hem naar het cachot. Ik was toen 6 en zat al op de meisjesafdeling. Ik werd ’s morgens opgehaald en moest met kleine Eddy van 2 jaar en zusje Hetty van 4 aan mijn hand toekijken hoe mijn moeder gestraft werd. Zij moest op haar knieën zitten, met gestrekte armen een stok horizontaal hoog houden. Als zij van vermoeidheid wat in elkaar zakte, sloegen de kampbewaarders haar. Kleine Eddy probeerde zich los te maken van mijn hand en schreeuwde tegen de kampbewaarders dat ze moesten stoppen. Hij wou ze slaan en zijn moeder  beschermen. Ik hield hem stevig vast en zei dat hij niet mocht huilen of schreeuwen. Ik weet niet hoe lang dit geduurd heeft. Lang, dat weet ik wel.

Na enkele tussenkampen kwamen wij in juli 45 na een lange treinreis aan in Aek Paminki III, een rubberplantage. We moesten 11 kilometer lopen van het station naar Kamp III. Grote broer Frans, inmiddels 9, droeg zusje Hetty, 4 jaar,  op zijn rug. Aan zijn riem bengelde een groen geverfd metalen kistje, waar moeder haar papieren in bewaarde, huwelijks- en geboorteaktes, rijbewijs en verbandmiddelen. Ik droeg Eddy, inmiddels 3 jaar, op mijn rug. Moeder sleepte zich met moeite voort. Aan een touw om haar middel hing de witte pispot. We sliepen op houten plankiers, boven elkaar. Per persoon hadden we recht op 50 cm. We hadden ook recht op 1 liter water per persoon per dag. Maar de enige put die er was, gaf alleen een klein beetje modderwater. Niet genoeg om te drinken, te koken en te wassen. Daar stond ik vaak lang in de rij te wachten totdat het mijn beurt was om een klein beetje modderwater in de pispot  te ontvangen. De pispot was ons water reservoir. We leden aan dysenterie en moesten vaak ’s nachts in het pikkedonker naar de latrines lopen. De houten planken waar we in gehurkte houding met blote voeten op stonden, waren spekglad van alle dunne ontlasting. Mijn broertje en zusje hadden last van wormen. Per dag moest elk kind 100 vliegen vangen. Als een kind te zwak was om dat te doen, ruilde ik mijn extra vliegen tegen wat eten van het zieke kind. Daar schaam ik mij nu voor.

Op 24 augustus landden er 3 geallieerde parachutisten met een oekaze van de keizer van Japan. Japan had gecapituleerd  en onze Japanse bewakers moesten nu voor ons zorgen. We hadden 2 leidsters, Noor Prins en Ria Eykens. Noor Prins was nog in het bezit van een 8 mm filmcamera. We hadden alles moeten afgeven: geld, juwelen, radio’s, foto- en filmcamera’s. Maar Noor Prins, die haar 8 mm filmcamera niet had ingeleverd, bewaarde haar filmcamera in een blikken trommel in een gat in de grond. Filmpjes waren toen 3 minuten lang. Zij had nog een klein stukje onbelichte film in haar camera. Met deze filmcamera werden beelden vastgelegd van Noor Prins en Ria Eykens, die op een tafel stonden en aankondigden dat de oorlog voorbij was en wij zongen met z’n allen het Wilhelmus. Er wapperde ook een Hollandse vlag. Eén vrouw had een rode baan, een ander een witte baan en eentje een blauwe strook stof in haar bagage. Die drie banen werden vlug aan elkaar genaaid en provisorisch aan een stok vastgemaakt. Die zwartfilm heb ik gezien, omdat ik indertijd lid was van een filmclub in Emmeloord, Noptica. Eén van de clubleden, die in Japan in de mijnen had gewerkt, kwam er achter dat Noor Prins uit Haarlem nog een film fragment had en hij heeft dit stukje film op video gezet.

De goedangs (schuren) gingen open met Rode Kruis pakketten en brieven. Iedereen was blij, maar ik zag mijn moeder niet. Ik ging haar zoeken. Zij zat heel triest op een omgevallen boomstam, met in haar hand een brief met een Rood Kruis daarop. De brief bleek 2 jaar oud te zijn. Ze zei niks. Frans, mijn oudste broer zat naast haar. Hij zei, “Laat haar maar even. Daddy (zo noemden wij onze vader) is dood. “ 24 augustus was toevallig ook de verjaardag van mijn moeder.

Nadat de spoorlijn en de locomotieven hersteld waren (voor de inval door de Japanners onklaar gemaakt door Nederlandse militairen) reisden we af naar Medan, de hoofdstad van Sumatra. Daar woonden wij met meerdere gezinnen in één huis. Moeder was ziek, ze had een hele grote wond op haar been, een zgn. koeliewond, die slecht genas. Moeder hertrouwde begin mei 1946. Het was geen plezierige man. Met hem verhuisden we naar Batavia (Djakarta) en vertrokken daarna met het troepentransportschip Kota Inten naar Nederland in de winter van 46/47. Na diverse verhuizingen kwamen wij terecht in Bilthoven, waar ik al gauw mijn schoolachterstand in haalde. Ik heb geluk gehad dat ik goede leerkrachten had. Toen ik 8 jaar was kon ik nauwelijks lezen, schrijven en rekenen. Tafels leren? Een tafel was voor mij een houten blad met vier poten.

In 2015 heb ik met de Oorlogsgravenstichting een bezoek gebracht aan de Erebegraafplaats Thanbuyuzayath in Birma, thans Myanmar geheten, waar mijn vader is herbegraven. Hij is op 27 juli 1943 omgekomen bij Retpu t.g.v. malaria. Eind juli vorig jaar, 75 jaar na zijn overlijden, ontving ik van de Minister van Defensie het mobilisatie-oorlogskruis voor mijn vader. Hij is dus niet vergeten. En ik denk nog elke dag aan hem.

Na in totaal 25 x verhuisd te zijn, woon ik al ruim 20 jaar in Sint Jansklooster, (een klein dorpje in de Kop van Overijssel) waar ik bij de voordeur een sapoe lidi heb staan. Af en toe veeg ik ermee en dan voel ik mij rustig worden. Het geluid van deze bezem doet mij weer  denken aan mijn jeugd in Indië, toen we het goed hadden op de plantage.

Maar, op de wind van gisteren kan niet gezeild worden. 

Ik ben nu 82 jaar en blij en dankbaar, dat zoveel mensen in mijn leven mij geholpen hebben niet alleen te overleven, maar mij vooral geleerd hebben te leven.

Dank u wel voor uw aandacht.

Na de lezing gaf Shelly Lapré deed Shelly Lapré haar voorouderdans en vertelde over haar werk en familiegeschiedenis. Op onze Facebookpagina zijn de foto’s hiervan te zien.

Indië-Herdenking met Josje Nieuwenhuys en Shelly Lapré

5 mei Bevrijdingsdag, maar niet voor alle Nederlanders

De bevrijding op 5 mei 1945 van Nederland betekende niet voor alle Nederlanders het einde van de Tweede Wereldoorlog. In het toenmalige Nederlands-Indië was de oorlog nog in volle gang en was de situatie voor de inwoners slechter dan ooit. Enorme hongersnood, ziekten en epidemieën maakten in die laatste maanden nog tienduizenden slachtoffers. Pas na de capitulatie van Japan kwam er op 15 augustus 1945 ook in Azië een feitelijk einde aan WO II.

Indië-Herdenking in Weesp

Over de ervaringen, het leed en de ontberingen tijdens de Japanse bezetting van Nederlands- Indië èn in de tijd daarna (Bersiaptijd) werd nadien nauwelijks gesproken. Om dit stilzwijgen in Weesp te doorbreken werd op 15 augustus 2013 het einde van WO II in Nederlands-Indië voor de eerste maal herdacht in de Weesper Synagoge en sindsdien jaarlijks herhaald.

De herdenking dit jaar wordt ingevuld door:

Spreekster: Josje Nieuwenhuys, overlevende uit de Jappenkampen, met: ‘Op de wind van gisteren kan niet gezeild worden’
Dans: Shelly Lapré, thema ‘Verbinding Verleden, Heden en Toekomst’

  • −  De avond start om 19.45 uur in de Weesper Synagoge, Nieuwstraat 5
  • −  Zaal open vanaf 19.30 uur
  • −  De toegang en versnaperingen zijn gratis
  • −  Een donatie wordt op prijs gesteldDe avond is speciaal bedoeld voor mensen met een (familie)band met het voormalige Nederlands-Indië. Ook jeugdigen worden van harte uitgenodigd. Er is koffie en thee en er worden diverse Indische hapjes aangeboden. Na de lezing en dans is er ruim gelegenheid om na te praten met een hapje en een drankje.

KOM OP TIJD, want VOL IS VOL!

Over spreekster mevrouw Nieuwenhuys

 

Josje Nieuwenhuys uit Sint Jansklooster groeide op een een Jappenkamp en ze verloor haar vader toen ze zes was, die overleed bij de aanleg van de Birmaspoorlijn. Voor haar boerderijtje liet ze jaren geleden de heg al knippen tot een locomotief, want ze is zelf een enorme spoorgek. Foto Freddy Schinkel, IJsselmuiden © 180116Dit jaar zal overlevende van de Jappenkampen, Josje Nieuwenhuys, haar verhaal vertellen. Ze werd geboren in 1937 op Sumatra. Zij was 5 jaar toen de oorlog uitbrak met de invasie van de Japanners in toenmalig Nederlands-Indië. Ze vertelt over het leven in de Japanse vrouwenkampen op Sumatra, zoals bijv. Brastagi, Kamp Aek Pamienke III, waar ze met haar moeder, broertjes en zusje was geïnterneerd. Haar vader werd door de Jappen gevangen genomen en te werk gesteld aan de Birma spoorweg. Hij is daar in 1943 gestorven.

Haar familie heeft zeer zware jaren ervaren. Eind 1946 kwam haar moeder met de vier kinderen naar Nederland.

Josje Nieuwenhuijs heeft ook in haar volwassen jaren lang moeten doorknokken omdat; zoals ze zegt “Je altijd kampherinneringen met je meedraagt”
Ze geeft regelmatig lezingen over de oorlog, schrijft voor het blad Kondschap van het museum Vollenhove.

Na haar lezing van ongeveer een half uur is er gelegenheid voor het publiek om vragen te stellen.

Over Shelly Lapré

Shelly Lapré

Na de lezing zal Shelly Lapré een dansvoorstelling geven van ongeveer een half uur vanuit haar Indische achtergrond.. Shelly Lapré is in Nederland geboren, maar haar bron ligt in voormalig Nederlands-Indië, waar haar (voor)ouders zijn geboren. Haar interesse in de koloniale geschiedenis is ontstaan uit respect voor wat haar grootouders en ouders hebben meegemaakt in de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië. En ook daarna tijdens de onafhankelijkheidsstrijd: de Bersiap-tijd en de politionele acties tot 1949. Vervolgens de repatriëring en de opvang in Nederland. Ze hebben moeilijke tijden meegemaakt en hard gewerkt, om een mooie toekomst op te bouwen voor hun gezin in Nederland.

Na jarenlang oude foto’s, documenten, boeken en spullen van familie te hebben verzameld, maar ook aangekocht op markten en via internet, heeft zij veel informatie gevonden om te verwerken in haar kunst. De voordracht van Shelly bestaat uit een decor van kunstwerken en originele voorwerpen uit Nederlands- Indië zoals, biljetten en munten, oud Indisch leesplankje, Oorlog-persoonsbewijzen, brieven en boeken. Op het decor danst zij “Ode aan Iboe” (Ode aan Oma) en verhaalt over haar familie uit Nederlands-Indië.

Haar werk is een overdracht aan volgende generaties, opdat de herinnering voor altijd levend blijft. Shelly Lapré: “Onze koloniale geschiedenis is een deel van onze Indische identiteit. Het heeft ons gevormd tot wie wij zijn, met alles wat erbij hoort. Het is mijn missie en passie om het verleden op positieve wijze over te dragen en beeldend zichtbaar te maken, toegankelijk voor iedereen, vooral voor jongeren. De geschiedenis van Nederlands-Indië gaat ons allemaal aan”.

——————————————————————————

KOM OP TIJD, want VOL IS VOL!

Indie-Herdenking 2018 met gastspreker Reggie Baay

‘Aanhoudende herinneringen’

Spreker is de heer Reggie Baay (1955); zijn lezing gaat over de periode van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende dekolonisatie-strijd. Uit familiearchieven heeft hij veel persoonlijke informatie geput over deze donkere periode.

De Vrienden van de Weesper Synagoge organiseren deze Indië- herdenking op 15 augustus. Het blijft belangrijk om het echte einde van de Tweede Wereldoorlog – ruim 3 maanden na het einde ervan in Europa – te blijven herdenken. Het hield immers voor velen binnen en buiten de Japanse concentratiekampen het begin in van andere gruwelijkheden, de Bersiap-tijd genoemd, geenszins een ‘bevrijding’ van de Japanse wreedheden.

 

woensdag 15 augustus. Aanvang 20.00 uur.

Deuren zijn open vanaf 19.30u

Entree gratis (eigen bijdrage is welkom)

 

Meer over Reggie Baay

Na zijn studie aan de Rijksuniversiteit Leiden was Reggie Baay van 1985 tot 2005 als redacteur verbonden aan het tijdschrift Indische Letteren en publiceerde hij vele artikelen op het gebied van koloniale geschiedenis en koloniale literatuur. Hij schreef ook een aantal romans over Nederlands Indië.

Enkele van zijn titels: de autobiografisch getinte roman De ogen van Solo (2005), Portret van een oermoeder (2010) over het Indische concubinaat, de roman Gebleekte ziel (2012) en Daar werd wat gruwelijks verricht (2015), over de onbekende geschiedenis van de koloniale slavernij in Indië.

Op dit ogenblik werkt hij aan een op historische feiten gebaseerde roman over verschillende familie-generaties die getekend zijn door de gruwelijkheden van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en de daarop volgende dekolonisatie-oorlog.

 

9789025367244 1001004006534964 Daar-werd-wat-gruwlijks-verricht-cover de-ogen-van-solo-reggie-baay-boek-cover-9789080143395

1001004011852975

Indië-Herdenking 2017

Het was een bijzondere avond dit jaar in de Synagoge tijdens de Indië Herdenking. Vier persoonlijke verhalen namen ons mee naar een tijd die inmiddels 72 jaar achter ons ligt, althans qua tijd. Niet qua beleving voor hen die het meemaakten.

Burgemeester B.J. van Bochove begon de avond met een terugblik in zijn persoonlijke geschiedenis waarin het hem opviel hoeveel meer aandacht er altijd was voor de gebeurtenissen tijdens de WO-II in Europa en hoe weinig hij wist van de ervaringen van een familielid in Nederlands-Indië. Een schrijnende ontdekking.

Mw Elly König en mw Frida Bodisco lazen vervolgens de verhalen voor van mw H. Ch. Backers-Wöhe (1935) en mw C. C. M. Creutzburg-Westplat (1924). De herinneringen aan hun jeugd in Nederlands-Indië en vooral de verschrikkingen tijdens de bezetting door de Jappen en de Bersiap-periode erna staan voor altijd diep in hun geheugen gegrift. Hun verhaal deden ze tijdens een interview met mw Bodisco, maar het zelf vertellen was te pijnlijk. We zijn dan ook extra dankbaar voor hun moed en dat beide toch aanwezig wilden zijn tijdens de avond.

Tot slot vertelde dhr Cor Draaijer over zijn ervaringen als jonge soldaat tijdens m.n. de politionele acties. Een te lang onderbelicht verhaal ook.

De verhalen van mw Backers en mw Creutzburg kunnen op  onze site teruggelezen worden.

Verhaal van Mw H. Ch. Backers-Wöhe (1935)

Verhaal van mw C. C. M. Creutzburg-Westplat (1924)

 

Oorlogsherinneringen van mevrouw C.C.M. Creutzburg–Westplat

Oorlogsherinneringen v.m. Nederlands-Indië tgv 15 augustus 2017

Mw Creutzburg is in 1924 geboren op Ambon als derde kind waarna nog twee kinderen kwamen. Allemaal zijn ze in verschillende steden geboren omdat vader bestuursambtenaar was en ze dus voortdurend verhuisden. Ze was 15 toen haar vader in 1940 overleed aan dysenterie. Op haar 12e was ze naar een meisjesinternaat gestuurd waar ze op haar 17e eindexamen deed. Ze kwam weer thuis wonen in Batavia. Het huishouden werd gerund door een hoofd huishouding en 6 bedienden. Ze sprak eigenlijk nooit Maleis, alle bedienden spraken Nederlands. Ze is opgegroeid in grote welstand.

Vlak na haar eindexamen, in december 1941, viel de bom op Pearl Harbour. Toen was duidelijk dat de Jappen zouden komen. Het Nederlandse bestuur liet alle eten in putten gooien met ongebluste kalk erop zodat de Jappen niets te eten zouden vinden. Maar dat bleek een misrekening: de eigen bevolking kreeg te lijden van hongersnood. Op 6 maart 1942 werd het gezin geëvacueerd en ze werden ondergebracht met vier andere gezinnen in een enorm groot huis van rijke Chinezen, die net als veel andere Chinezen hun huis openstelden voor de opvang van evacuees. De Chinezen gaven ze ook te eten. 2 dagen later, op 8 maart kwamen de Jappen. Eerst hun stoottroepen die bestonden uit Koreanen, heel angstaanjagend. Ze stampten toen ze binnenmarcheerden en zagen er raar uit. Alle huizen moesten open zijn zodat de Jappen dag en nacht binnen konden komen om te controleren. Alle Nederlandse uitingen waren absoluut verboden, er moest een Japanse vlag uithangen. Alle mannen werden meteen geïnterneerd en in Batavia kwamen ze in de Glodok-gevangenis. Haar twee oudste broers waren als militair dienstplichtigen krijgsgevangen gemaakt en in het Tjimari-kamp gevangen gezet.

Zelf zaten ze in het Chinese huis; een gezin zonder vader en zonder de twee broers, en zij, als oudste nu, moest allerlei zaken regelen voor haar moeder. Ze besloten buiten de kampen te blijven en daarvoor haalde zij de nodige papieren op. De inlanders gingen steeds massaler roven – er waren veel verlaten huizen. Daarom gingen ze terug naar hun eigen huis, en dat bleek net op tijd, hun huis was nog intact. Als de Jappen de dieven te pakken kregen werden hun handen afgehakt, toch werd er steeds geroofd. Het pensioen van haar moeder werd niet meer betaald. De kerk vond dat ze in aanmerking kwamen voor de ‘bedeling’: een beetje rijst per persoon per dag. Er was nauwelijks eten meer; wat er was ging naar de Jappen, die ook zorgden voor de Duitse gezinnen, allemaal zonder vaders want die waren eind 30-ger jaren door Hitler opgeroepen om in Europa te vechten. Ze kreeg een opleiding bij de Diakonie ( Protestants, terwijl ze zelf RK was), bij de zusters Gildemeester en kon daar werken. Zo kon ze wat geld verdienen waar ze eten van kon kopen. Ze werkte eerst in de verpleging van kleine kinderen met open tbc, maar dat mocht niet meer door het besmettingsgevaar. Daarna verpleegde ze oude mensen. Dat vond ze heel naar en is er mee opgehouden. Ze vond nieuw werk: knoopsgaten maken voor een Chinese dame en kreeg 1 cent per knoopsgat. Daarvan moesten ze met zijn vieren eten, moeder, zijzelf en zusjes van 7 en 9. In 1944 werd ze aangenomen bij een leerfabriek, dat verdiende iets beter. Moeder kon niets meer dus naast haar werk moest ze het huishouden doen, dweilen, de groentetuin bewerken, koken, alles. Op weg naar werk, kerk of boodschappen werden alle vrouwen gemept, met stokken afgeranseld, als er niet goed gebogen werd. Dat was dagelijks. En lachen, die Jappen. Soms hadden ze dagenlang geen eten en leden vreselijke honger.

Na de Japanse capitulatie brak de Bersiaptijd aan. Er werd een avondklok ingesteld, na middernacht mocht je niet meer buiten zijn. Die tijd van de nationalisten, van 1945 tot 1948 was nog erger dan de Jappentijd. Zij werkte toen in het Militair Hospitaal. De verminkingen waren verschrikkelijk, afgesneden oren, neuzen, genitaliën. In het ziekenhuis kwamen de verminkte soldaten binnen, het lijkenhuis was stampvol. Haar moeder en twee zusjes werden voor hun eigen veiligheid met gewapende soldaten uit hun huis gehaald met achterlating van álles wat hen lief was. Ze werden naar het Vrijmetselaarsgebouw gebracht waar ze op matrassen op de grond sliepen. Er was geen water om zich te wassen of zelfs maar om te drinken. Omdat ze er langer moesten blijven dan een maand werd er door de Brits-Indische soldaten water aangevoerd. Daarna vertrokken moeder en zusjes naar het Kramat-kamp dat toen opvangkamp was geworden. Echt een verschrikkelijk angstige tijd, je was je leven niet zeker. In 1946 stapte ze vanwege de avondklok in een truck en daarin zat Benny Creutzburg. Ze raakten aan de praat. Zijn ouders waren in 1930 vanuit Indië naar Nederland gegaan, naar Tiel. Benny zat bij het Regiment Jagers en wilde het land van zijn ouders zien. Daar bezocht hij een neef van hem. Die neef, Constantijn, was sergeant-majoor bij de luchtmacht. Ze kwamen samen de volgende dag langs, en ze trouwde met Constantijn in 1947. In 1948 werd hun oudste zoon Walter geboren. Vlak daarna ging ze met haar man mee naar Bandoeng waar in 1949 hun tweede zoon Arnoud werd geboren. In dat jaar werd een keer gebonkt op de deur, ze keer door een kier van de luiken en zag laarzen. Ze moest wel open doen, ze waren met zijn drieën, lange haren, een rood-witte band om het hoofd. Ze namen bezit van haar huis, gingen zitten en legden hun laarzen op de lage tafel, verordonneerden koffie en ze moest Bahassa spreken. Ze hebben van alles gestolen en vervolgens moest ze knielen en hun laarzen likken. Dat deed ze om haar kinderen te sparen. Ze gingen vanwege steeds ergere dreigingen naar het Tjilitan-kamp. Daar brak in 1950 een epidemie uit waar haar zoon Arnoud aan overleed. Ëén dag na zijn begrafenis gingen zij, haar man en Walter zich melden bij de haven van Tandjoeng Priok waar ze diezelfde middag nog vertrokken met een troepentransportschip richting Nederland. Hier in Nederland zijn nog meer kinderen geboren. Voor de kinderen was het het beste dat ze naar Nederland zijn gegaan. Hier hebben ze alle 5 goede opleidingen gekregen. Ze is één keer terug geweest, maar de corruptie, het oneerlijke, altijd bezig het geld uit je zakken te kloppen, nee, hoe mooi het land ook is, ze wil niet meer terug.

Weesp, juli 2017

Opgetekend In een gesprek met Frida Bodisco Massink ter gelegenheid van 15 augustus 2017

Lees ook het Verhaal van Mw H. Ch. Backers-Wöhe (1935)

Oorlogsherinneringen van mevrouw H. Ch. Backers – Wöhe

Oorlogsherinneringen v.m. Nederlands-Indië tgv 15 augustus 2017

Mevrouw Backers is als oudste kind in 1935 geboren in een gezin waarin nog drie broers en 2 zussen kwamen tussen 1936 en 1951. Haar moeder was van Indische komaf en haar vader stamde af van een Duitser die naar Nederland-Indië vertrok en daar een Javaanse vrouw trouwde. De beide grootmoeders van mw Backers waren Javaans. Als kind van gemengde ouders mocht ze geen Maleis spreken maar uitsluitend Nederlands. Ze mocht ook niet met bedienden praten, en met sommige ooms en tantes ook niet. Toch verstond ze alles: Javaans, Soedanees etc. Ze mocht niet met andere meisjes spelen, altijd alleen. Het was een gesegregeerde wereld, gedomineerd door mannen. Vader was heel streng en perfectionistisch. Vrouwen mochten nooit wat zeggen. Haar oma’s waren volkomen zwijgzaam. Zo werd zij ook opgevoed.

Vader was mededirecteur van een machinefabriek. Hij was zoals zovelen reservist. In 1940 toen de oorlog in Europa en Nederland was uitgebroken werd hij twee maal als reservist opgeroepen tot de Jappen binnenvielen, toen werd hij gemobiliseerd. In 1941 begon ze op de lagere school en vlak daarna werd ze opeens van school weggestuurd omdat ze een Duitse naam droeg; ze werden als ‘NSB-ers’ beschouwd. Maar ze bleef les krijgen van een tante, die onderwijzeres was. Vlak na de capitulatie van Indië begin 1942 werd hij als krijgsgevangene door de Jappen naar de werkkampen in Birma gestuurd. Toen hij daar tbc kreeg werd hij naar Japan afgevoerd. Hij heeft de oorlog overleefd.

In 1942 zat het gezin dus zonder vader. Dat werd steeds onveiliger. De ‘pemuda’s’ (nationalisten) kwamen om de sleutels te eisen en ze namen het beheer van de fabriek over. Al snel was er hongersnood. Ze hadden meer last van de pemuda’s dan van de Jappen. In de Japanse tijd werden alle scholen geannexeerd om militairen onder te brengen. Zij woonden naast een kostschool. Haar moeder breidde katoenen sokken om te verkopen aan de Japanse militairen om een beetje geld te verdienen. Verder verkocht ze alles van waarde zoals juwelen om geld voor eten te hebben. Ze moesten heel ver lopen om die waardevolle spullen te verkopen. Dan moest zij, 7 jaar oud, voor de broers en zussen zorgen en koken – op houtskool. De Jappen waren erg wreed, ze hielden er dezelfde wreedheden en martelingen op na als de Gestapo, om informatie los te krijgen.

Na een tijdje werden ze naar een interneringskamp in Soekaboemi overgebracht. Oma mocht buiten de kampen blijven. In Soekaboemi kreeg ze al snel de bof en ze moest naar een ziekenhuis. Na behandeling kwam ze weer terug. Er was in het kamp ook erge honger, en haar moeder moest alle kindermonden zien te voeden. Iedereen had bepaalde corvees, zij zelf ook. En verder ging ze steeds eetbaar onkruid verzamelen, vooral portulaca. Dat is een soort postelein, dus dat onkruid nam ze mee om er soep van te koken. Maar het was niet alleen de honger, er was ook veel jaloezie en diefstal; echt alles werd onder je vandaan geroofd als je even niet oplette.

Na de capitulatie probeerden de pemuda’s iedereen die iets eetbaars op de passar of langs de weg aan de Nederlanders verkocht te vermoorden, zelfs als diegene van hun eigen volk was. De evacuatie van Soekaboemi naar eerst Buitenzorg en daarna Jakarta was een vreselijke onderneming. De Japanners brachten ze op weg, want het was veel te gevaarlijk zonder bescherming. Maar die vertrokken en werden vervangen door Gurka’s, soldaten uit noord India. En die verkrachtten waar maar kon. Dat was de angstigste tijd, vooral in Buitenzorg. Ook hier had je corvee. Je woonde als gezin op één kamer maar je moest naar buiten voor je corvees. Op een dag ging mijn moeder ergens heen en ze zag een Gurka haar moeder achtervolgen, dus zij ging snel naar haar toe. Toen kwam die Gurka achter hen tweeën aan en zij renden voor hun leven en sloten zich op, deur op slot. Toen heeft die Gurka maar een broertje verkracht. Hij heeft daar nooit over gesproken, en ze wisten het toen niet. Dat bleek pas heel veel later, in Nederland. Dit was toch de allerergste tijd, die voortdurende dreiging en angst, erger nog dan de oorlogstijd.

Europeanen mochten niets kopen, geen eten, ze moesten langzaam uitgehongerd worden. Haar vader keerde na de oorlog terug uit Japan en moest al snel meevechten met de Politionele acties. Hij was een klasgenoot van Sukarno en kende leiders uit die tijd persoonlijk.

In het kamp was er natuurlijk geen school, dus na de oorlog moesten de kinderen in ‘herstelklassen’ de ontstane achterstanden inhalen, in één schooljaar deed je de stof van twee jaren. Alles was in het Nederlands, en in 1948 werden de scholen van het ene op het andere moment Indonesisch, en mocht er geen Nederlands meer gesproken worden, geen Nederlandse lesboeken worden gebruikt. Maar er was niet meteen een Indonesisch alternatief. Ze deed op haar 16e eindexamen en wilde verpleegster worden. Maar dan mocht niet van haar vader, zoals hij zei: ”je mag niet met po’s lopen”. Ze mocht wel een secretaresseopleiding volgen.

Het werd steeds slechter. Mijn vader kon kiezen om te blijven, Kol Nasution beloofde hem goede banen. Maar hij wilde naar Nederland. Met het allerlaatste transport voor militairen naar Nederland is het gezin in 1951 weggegaan, op de H.M. Sloterdijk. In Nederland was alles zo anders; in Indië mocht je als vrouw niks, hier moést je alles zelf doen en regelen. In het pension in Blaricum moest ze zoals iedereen gaan werken om geld te verdienen. Dat kon als verpleegkundige in opleiding in het R-K Ziekenhuis in Hilversum. Daar was ze heel blij mee.

In 1958 ontmoette ze als verpleegster in Curaçao haar man, verloofden zich en trouwden in 1963. Ze gaat nog vaak terug naar Indonesië. In Indonesië wil ze altijd mensen helpen, er is zó veel armoede daar. Ze neemt altijd een contant geldbedrag mee om acuut te kunnen helpen. Hier in Nederland heeft ze veel meer kansen gekregen dan ooit in Indië mogelijk was geweest. Dus ja, het was de goede beslissing om naar Nederland te gaan.

Weesp juli/augustus 2017

Opgetekend in een gesprek met Frida Bodisco Massink ter gelegenheid van 15 augustus 2017

Lees ook het Verhaal van mw C. C. M. Creutzburg-Westplat (1924)